Review: Gears of War: Reloaded stamt uit een tijdperk dat niet meer bestaat
Het is een gekke wereld
Alsof het gewoon weer 2006 is, jank ik de kettingzaag die onderaan de loop van mijn machinegeweer zit dwars door een vijand heen. Vervolgens drukt Marcus Fenix met zijn vingers op zijn oor. “Control, this is Delta.” Een zinnetje dat we de afgelopen decennia al ontelbaar vaak hebben gehoord. Maar nu klinkt het antwoord van Control ineens uit mijn controller. Een DualSense-controller met een Astro Bot-thema, om precies te zijn. De wereld is veranderd.
Inmiddels leven we in een wereld waar ‘console-exclusives’ in rap tempo uitsterven. Ooit was Gears of War Microsofts belangrijkste wapenfeit, nu is het de zoveelste game die de softwaregigant beschikbaar maakt voor een nieuw publiek. In geval van Gears komt die strategiewijziging wel een aantal jaar te laat.
Ga eens aan de kant, Baird
Gears of War: Reloaded is in feite een opgepoetste versie van Gears of War: Ultimate Edition uit 2015, dat toen eigenlijk ook al verouderd aanvoelde. Natuurlijk, in 2006, bij de oorspronkelijke release, was Gears of War revolutionair. Grafisch zette het een nieuwe standaard, het was zo’n beetje dé game om op Xbox Live te spelen, en de Lancer is niet voor niets nog altijd een iconisch wapen.
Maar dat was toen. Toen leefden we ook nog in een tijd waarin een computergestuurd personage (meestal Baird. Altijd Baird. Fuck Baird.) rustig je doorgang blokkeert of weigert een deur te openen omdat ‘ie per se zijn verhaaltje moet afmaken. Of waarin je een harde keuze maakt tussen twee paden door opzichtig op een knop te drukken. Of waarin een dialoog soms uit niets meer bestaat dan “Fuck, shit, ahh”.
Gears of War bestaat voor het grootste deel uit gangetjes en arena’s. In de gangetjes keuvelen Marcus Fenix en zijn gespierde dudebro’s een beetje onderling, of bellen ze met Control. Zodra je een gangetje verlaat, weet je al: dit is een arena. Ineens spawnen op allerlei plekken Locust, toevallig even breedgeschouderde monsters, die je tot puinpoeier mag schieten, zagen of opblazen. Is de laatste vijand verslagen? Dan krijg je ogenblikkelijk bevestiging in de vorm van een soort gitaarriff. Elke overgang is hard en rauw.
Ook de multiplayer biedt een interessant venster in het verleden. Korte, arena-achtige potjes, skins gebaseerd op personages uit de singleplayer, geen overkoepelende pass- of progressiesysteem; zo zagen multiplayermodi er vroeger uit. Ergens is dat een verademing: gewoon even een potje onbezorgd knallen, zonder gelijk een commitment aan te gaan aan een of ander seizoen of battle pass. Maar ook online is Gears naar moderne maatstaven wat eentonig, clunky en ouderwets. Zo blijft het lastig om in het grijsgrauwe kleurpallet te zien welke vlezige personages vriend en welke vijand zijn. Daar zijn tegenwoordig elegantere oplossingen voor.
Druk op X voor Alles
Ondertussen lijkt de X-knop (A op Xbox) voor álles gebruikt te worden. Je gebruikt ‘m om te sprinten, dekking te zoeken, ergens overheen te klimmen en weg te rollen. Het gerucht gaat dat je er op bepaalde momenten ook nog mee aan je kont kan krabben. Het probleem is dat je daardoor regelmatig de verkeerde actie doet. Je springt dan bijvoorbeeld heel ludiek juist uit de dekking, zo je dood tegemoet. Ook dit kan zoveel eleganter.
Inmiddels zijn games – al een flink tijdje – een heel stuk gepolijster, naadlozer en over het algemeen ook volwassener. Oók de latere Gears-delen. Alleen daardoor al is het lastig om met de blik van nu de relevantie van deze klassieker te zien. Beoordeel je de game naar hedendaagse maatstaven, dan is Gears of War niet veel meer dan een matig geacteerd, eentonig en regelmatig janky testosteronfeest van grote, gespierde mannen met kettingzagen aan hun wapens.
Dreun, dreun, dreun
Wie mét de realisatie dat dit echt een game uit een ander tijdperk is deze klassieker een kans wil geven, heeft met Gears of War: Reloaded uiteraard wel veruit de beste versie in handen. Een 4K resolutie, HDR, 60 fps in singleplayer en 120 fps in multiplayer; Gears vinkt het hele checklistje af. Fraaiere licht- en schaduweffecten maken dat de game ook wat moderner oogt, al hebben we hier niet te maken met een remake. Het kan er heus mee door, maar verwacht geen baanbrekende dingen.
De audiomix slaat de plank helaas wel echt mis. Met op papier Dolby Atmos en 3D Spatial Audio lijkt Gears ook hier goed gemoderniseerd te zijn, maar in de praktijk klinkt de game dof, eentonig, en dreunend. Het vreselijk eentonige geknetter van de Lancer wordt afgewisseld met dreunend gestamp van Marcus Fenix en co., waarbij vooral binnenshuis de subwoofer net iets te hard aan het werk wordt gezet. Wat audio betreft was een uitgebreidere oppoetsbeurt dus geen overbodige luxe geweest.
Eigenlijk is dat de kern van Gears of War: Reloaded. Het is in alle opzichten nog steeds een Xbox 360-game, gemaakt voor HD-ready 720p-schermpjes met blikkerige speakertjes, gespeeld door pubers die zo’n grote gele pot gel uit de supermarkt in hun haar smeerden. Het is gemaakt voor een wereld die simpelweg niet meer bestaat.
Gears of War: Reloaded is nu verkrijgbaar voor pc, PlayStation 5 en Xbox Series X en S. Voor deze recensie is de game gespeeld op een PlayStation 5 Pro.
Voor de annalen is het leuk dat systemseller-van-weleer Gears of War nu ook verkrijgbaar is op PlayStation, maar wie ooit écht Gears wou spelen, had in al die jaren natuurlijk allang een keertje een Xbox kunnen kopen. Inmiddels is Gears of War al een behoorlijk tijdje over zijn uiterste houdbaarheidsdatum heen.