Er was een tijd dat Bubsy ertoe deed. Echt waar. En nu, dertig jaar na het dieptepunt dat Bubsy 3D heette, probeert ontwikkelaar Fabraz te bewijzen dat de bobcat meer is dan een internetgrap.
Ik weet het, het klinkt als geschiedvervalsing. Maar pak je SNES-herinneringen er even bij. Bubsy in Claws Encounters of the Furred Kind was in 1993 geen wegwerpgame. Het was een ambitieuze platformer met flinke levels, mooie sprite-animaties en een zweefmechanic die destijds best slim aanvoelde. Bubsy II deed daar nog een schepje bovenop. Was het Mario? Nee. Was het Sonic? Ook niet. Maar het was een prima avond bij je buurjongen wiens ouders Sonic te gewelddadig vonden, en waar je dus genoegen nam met een bobcat in een uitroeptekenshirt.
Dat het daarna gruwelijk misging, weten we. Bubsy 3D op de PS1 is legendarisch slecht, het soort spel dat je aan je vijanden cadeau doet. De serie was morsdood, en terecht. Maar nu heeft Atari de rechten opgekocht en Fabraz ingeschakeld, de studio achter het prima Demon Turf. Dat is op papier de slimste zet die iemand ooit voor deze franchise heeft gemaakt. De vraag is alleen: is slim genoeg?
BONTJAS MET TURBOMOTOR
Het antwoord is, verrassend genoeg, half ja. Want de besturing van Bubsy 4D is oprecht goed. De bobcat heeft een arsenaal aan moves dat je niet zou verwachten van een mascotte met zo’n cv: dubbele sprong, zweefsprong, een flinke horizontale charge, tegen muren opklauteren, en een ballenmodus waarin je als een soort harige knikker door halfpipes en buizen dendert. Ketsen van sprong naar zweef naar charge naar muurklim voelt na een halfuur oefenen lekker vloeiend, en op z’n best heb je even dat gevoel dat je een level volledig naar je hand zet.

Fabraz heeft bovendien een slim progressiesysteem bedacht: verspreid door de levels vind je blueprints waarmee je extra moves koopt, van een crouch jump tot een twirl in de lucht. Leuk idee. In de praktijk zijn de meeste aanvullingen niet essentieel om verder te komen, maar ze geven completionists een reden om nog eens rond te kijken.
KARTONNEN COULISSEN
En dan de levels zelf. Hier loopt het spaak. Bubsy 4D heeft drie werelden met elk vijf stages, en die stages zien er op het eerste gezicht ruim en open uit. Maar dat is schijn. In werkelijkheid zijn het vrij rechttoe rechtaan parcoursen met weinig variatie, amper interactie en een handvol vijanden dat er vooral staat om de boel aan te kleden. Die vijanden vormen nul komma nul bedreiging. Je kunt ze vrijwel allemaal negeren, en als je ze wel aanvalt, voelt de homing attack alsof je een tennisbal tegen een nat kartonnen doos gooit.

De drie themawerelden, denk aan knutselspullen, papier en e-waste, hebben elk hun eigen look. De knutselwereld met meetlinten die terugschieten en scharen die naar je happen is het leukst. Maar na vijf levels per wereld, dat zijn er vijftien totaal, heb je alles wel gezien. En “alles” is betrekkelijk, want de levels voelen leeg. Grote ruimtes met weinig erin. Honderdvijftig bolletjes garen per level om te verzamelen, en die gebruik je om cosmetische outfits te kopen. Dat is het.
SNELHEID ALS EXCUUS
Het spel lijkt gebouwd voor speedrunners. Elke level heeft een timer en leaderboards, en de uitgebreide moveset maakt snelle runs theoretisch bevredigend. Maar dan moet je wel plezier hebben in het steeds opnieuw spelen van dezelfde lege levels. En daar zit de crux: als je niet in speedruns zit, is Bubsy 4D een platformer van vijf tot zes uur die weinig reden geeft om terug te komen.

De camera helpt ook niet mee. Tijdens de ballenmodus, waarin je door buizen en over hellingen rolt, raakt de camera regelmatig de weg kwijt. Je draait een bocht, de camera botst tegen de geometrie, en ineens vlieg je een afgrond in die je niet zag aankomen. In een spel dat leunt op flow en momentum is dat dodelijk. Daar komen nog wat bugs bij: door de vloer vallen, vastlopen in muren, en checkpoints die je in een oneindige doodloop plaatsen. Klein bier misschien voor een budgettitel, maar irritant genoeg om je ritme te breken.
OUDE KAT, NIEUWE GRAPPEN
Bubsy zelf is minder irritant dan verwacht. Waar hij vroeger een onvermoeibare woordgrappenmachine was, heeft Fabraz hem neergezet als een vermoeide veteraan die zelf ook wel doorheeft dat niemand op zijn terugkeer zat te wachten. De humor is zelfbewust, met flinke stapels fourth wall breaks en verwijzingen naar zijn eigen rampzalige verleden. Zijn familie en vrienden lijken hem stuk voor stuk te verachten, en dat levert af en toe een glimlach op.

Af en toe. Want na een paar uur worden de grappen repetitief. Het ene personage dat zijn naam steeds fout uitspreekt. De neefjes die hem afzeiken. Bubsy die zichzelf afkraakt. Het is één trucje, en dat trucje draagt geen heel spel. De voice acting is oké maar wordt willekeurig ingezet, met cutscenes die halverwege overschakelen van volledig ingesproken naar tekstballonnen. Vreemd.
Grafisch is Bubsy 4D een combinatie van cel-shaded cartoonstijl en lege skyboxes. De animaties van Bubsy zelf zijn leuk, met overdreven cartoon-physics à la Looney Tunes. Maar de werelden eromheen ogen flets en spaarzaam gevuld. Het draait stabiel op PS5, met subtiele DualSense-haptics bij het zweven en chargen. Leuk detail, maar geen gamechanger.
TERUG OP Z’N POOTJES, NERGENS OM TE LANDEN
Bubsy 4D is het bewijs dat een goede besturing alleen niet voldoende is. Fabraz heeft van Bubsy een verrassend leuke speelbare kat gemaakt met een indrukwekkende set moves, maar heeft hem losgelaten in levels die het niet verdienen. Kort, leeg, en zonder reden om terug te komen tenzij je van speedruns houdt. Voor twintig euro kun je slechter uit zijn, maar je kunt ook veel beter uit zijn.
Gespeeld op: PlayStation 5. Bubsy 4D is verkrijgbaar vanaf 22 mei op PlayStation 5, PlayStation 4, Xbox Series X|S, Xbox One, Nintendo Switch, Nintendo Switch 2 en pc (Steam) voor €19,99.