Zeven jaar na The Rise of Skywalker keert Star Wars terug naar de bioscoop. Niet met een verhaal dat de galaxy op z’n kop zet, maar met een opgeblazen tv-aflevering waarin een man in een helm en een pratend knuffelbeest twee uur lang van A naar B vliegen. Gezellig? Ja. Noodzakelijk? Nee.
Laat ik eerlijk zijn: ik zat best met een goed gevoel in die bioscoopstoel. Naast Andor was The Mandalorian het beste dat Star Wars in jaren had voortgebracht, zij het om compleet andere redenen. Waar Andor bewees dat Star Wars ook volwassen televisie kon zijn, liet Mando zien dat een simpele space western zonder lightsabers en Skywalker-drama net zo goed werkte. Twee seizoenen lang, althans. Seizoen drie was al minder, maar de hoop was dat het bioscoopformaat Mando en Grogu de ruimte zou geven om groter te denken. Letterlijk én figuurlijk.

Die hoop wordt in de eerste vijf minuten nog gevoed. Het openingsgevecht op een ijsplaneet, compleet met AT-AT’s en een camera die vanuit het perspectief van een Mouse Droid door gangen scheurt, is het dichtste dat Star Wars ooit bij John Wick is gekomen. Ludwig Göranssons score dreunt je door je stoel. Even denk je: dit wordt wat.
TAXI DOOR DE GALAXY
En dan begint het echte verhaal. Of beter gezegd: het gebrek daaraan. Mando krijgt van Colonel Ward (Sigourney Weaver) de opdracht om Rotta the Hutt op te halen, de zoon van wijlen Jabba, in ruil voor informatie over een ondergedoken Imperial kopstuk. Dat klinkt als een prima opzet voor een avonturenfilm, maar het script van Jon Favreau, Dave Filoni en Noah Kloor behandelt die premisse als een taxirit.
Ga naar planeet A, haal persoon B op, rijd door naar locatie C, herhaal tot de aftiteling.
Sigourney Weaver, een actrice die in haar eentje een sciencefictionfilm kan dragen, mag hier achter een bureau zitten en opdrachten uitdelen. Dat voelt als het inhuren van een sterrenkok om broodjes kaas te smeren. Ze heeft misschien tien minuten schermtijd en doet er precies niets mee dat je bijblijft. Zonde.
GESPIERDE HUTT MET DADDY ISSUES
Rotta zelf is het meest opvallende nieuwigheidje. Jabba’s zoon is geen slome slak op een troon, maar een gespierde gladiator die vecht in een arena en worstelt met de vraag of hij meer is dan de zoon van een maffiabaas. Jeremy Allen White (die je kent als Carmy uit The Bear) levert de stem, en dat werkt, ook al klinkt het vreemd om een Hutt Amerikaans-Engels te horen praten terwijl zijn familieleden gewoon Huttese brabbelen.

Het probleem: Rotta vertelt zijn levensverhaal twee keer. Bijna woordelijk. De eerste keer denk je: oké, interessant. De tweede keer denk je: dit script heeft een zoekfunctie nodig. Zijn actiescènes zijn vermakelijk genoeg, met een soort deathmatch tegen CGI-monsters die doet denken aan de Geonosis-arena uit Attack of the Clones, maar dan met minder inzet en meer spierballenvertoon.
BABY YODA RUNT DE TENT
Laten we het hebben over de echte ster van deze film: Grogu. Wie hem schattig vond op televisie, gaat hem hier adoreren. De kleine groene pop drukt op knoppen die hij niet mag aanraken, steelt eten bij elke gelegenheid en sluit vriendschap met een groepje Anzellans, piepkleine wezentjes die samen de grappigste scènes van de hele film opleveren. Er is een passage in het laatste deel waarin Grogu op eigen benen staat, zonder Mando, en die werkt verrassend goed. Stil, teder, en precies het soort moment dat deze franchise vaker nodig heeft.

Maar dat is ook het probleem. Grogu is het beste wapen van de film, en Favreau weet dat. Dus in plaats van het personage ruimte te geven om echt te groeien, leunt de film op zijn schattigheidsfactor als vangnet voor elk moment dat het verhaal stilstaat. En dat zijn er nogal wat.
HELM OP, EMOTIES UIT
Pedro Pascal als Din Djarin klinkt zoals altijd: rustig, beheerst, een beetje eentonig. Dat werkte prima in een serie van acht afleveringen waar de spanning langzaam kon opbouwen. In een film van twee uur en twaalf minuten merk je dat er weinig overblijft als die laagjes ontbreken. Mando heeft hier geen dilemma, geen interne strijd, geen moment waarop hij echt moet kiezen. Hij krijgt een opdracht, voert hem uit, en gaat naar huis. Het is vakwerk, maar het raakt niets.
Martin Scorsese duikt op als stem van een vierarmige streetfoodverkoper. Ja, die Martin Scorsese. Dezelfde man die ooit publiekelijk twijfelde of Marvel-films wel cinema waren, verkoopt nu panini’s in een Star Wars-film. Het is grappig. Maar ook veelzeggend over waar deze franchise zich bevindt.
TE KLEIN VOOR HET GROTE SCHERM
Het fundamentele probleem van The Mandalorian and Grogu is er een van formaat. Dit is geen film. Dit zijn drie televisie-afleveringen die aan elkaar zijn geplakt, opgeblazen tot IMAX-formaat en voorzien van een duurder prijskaartje. Je voelt de overgangen. Je voelt waar de cliffhangers hadden gezeten. En je voelt vooral dat er niets op het spel staat.
Niemand groeit. Niemand verandert. De status quo aan het einde is exact dezelfde als aan het begin. Voor een tv-serie is dat prima, want volgende week komt er een nieuwe aflevering. Voor een bioscoopfilm die zeven jaar op zich heeft laten wachten, voelt het als een gemiste kans.
De CGI is wisselvallig. Sommige achtergronden zijn prachtig, de neonstad Shakari in het bijzonder. Maar de digitale Hutts zien er goedkoop uit naast de fysieke pop van Grogu, en meerdere actiescènes lijden onder donkere, modderige beelden waar je niet goed kunt volgen wat er precies gebeurt. Voor een franchise die ooit visuele standaarden zette, valt dat tegen.
Göranssons muziek is opnieuw het technische hoogtepunt. Zijn variaties op het Mandalorian-thema, van westernachtige twang tot zware synths tijdens de Shakari-scènes, tillen de film boven zichzelf uit. Als de rest van de productie even sterk was geweest als de soundtrack, hadden we hier een ander gesprek gevoerd.
DE JUISTE ONSCHULD
Is The Mandalorian and Grogu een slechte film? Nee. Kinderen gaan hier de zaal uit met grote ogen. Grogu is onweerstaanbaar. Er zitten handenvol leuke momenten in, en wie niet meer verwacht dan twee uur hersenloos ruimte-avontuur komt prima aan z’n trekken. Maar als dit het antwoord is op de vraag waar Star Wars naartoe gaat, dan is het antwoord: nergens. En dat is, na zeven jaar wachten, teleurstellend.
The Mandalorian and Grogu draait vanaf 20 mei in de Nederlandse bioscopen.
Conclusie
The Mandalorian and Grogu is leuk gezelschap voor een regenachtige middag, maar geen bioscoopfilm die je bijblijft. Grogu is schattig, de soundtrack is sterk, en er zitten genoeg leuke momenten in om twee uur door te komen. Maar als Star Wars niets groters durft te zijn dan een opgeblazen aflevering, waarom zouden wij dan nog naar de bioscoop komen?